Niveau 4 — kenmerken en voorzetsels leren
In niveau 4 leren we:
- de kenmerken van voorwerpen (vorm, kleur, toestand)
- de delen van voorwerpen
- de categorieën
- de tegenstellingen (groot/klein, lang/kort, enz.)
Omdat het kind nu veel acties, voorwerpen en kenmerken kent, kunnen we moeilijkere vragen gaan stellen zoals: "waarmee poets je je tanden?", "waarin slaap je?", "waar kun je springen?", "noem een paar dieren", "waarmee snijd je?", "wat kun je snijden?".
In Observation niv 4 moet het kind langer kijken en meerdere acties onthouden.
Voorwerp, vorm, kleur (OFC)
In de serie Répondre aux questions C'est Quoi / quelle Couleur / quelle Forme ? leert het kind 3 verschillende vragen over een voorwerp te beantwoorden: "wat is het?", "welke vorm is het?", "welke kleur is het?". Er zijn 11 verschillende stappen:
- QS — De simpele vragen ("welke kleur is het?", "welke vorm is het?") zonder voorwerp: je ziet alleen een kleur of een vorm (in het zwart). Deze stap test of het kind de vormen en kleuren kent die in de serie worden gebruikt; niet-beheerste doelen kunnen in de volgende stap worden aangeleerd.
- W- — Het voorwerp, de vorm of de kleur wordt benoemd, waarna het kind moet aanwijzen en benoemen. Nadat de doelen met de W- zijn aangeleerd, doen we de QS opnieuw om te controleren. Deze stap is absoluut noodzakelijk, want sommige doelen ("luidspreker", "bord"…) moeten worden aangeleerd voordat je verdergaat.
- AI- — Het kind moet het voorwerp, de vorm of de kleur terugvinden die in het eerste scherm werd getoond. Heel belangrijk: veel kinderen hadden de vorm van een specifiek voorwerp uit het hoofd leren benoemen (bal = rond, tafel = rechthoekig) zonder de vorm van een nieuw voorwerp visueel te kunnen herkennen! Dat testen we hier, onder andere met luidsprekers, tafels en tassen in allerlei vormen en kleuren.
- LR-_GF1 — Het kind moet de rode rechthoekige lego vinden; er wordt maar één woord gezegd: "rechthoekig" (in plaats van rechthoek — voor het eerst in deze serie). Bij de keuzes staan alleen lego's, allemaal rood, in verschillende vormen: één factor (F1), geprompt (G).
- LR-_F1 — We zeggen "rode rechthoekige lego"; de keuzes: alleen lego's, allemaal rood. Het kind let alleen op de vorm. Zoals in al onze oefeningen zijn er LR-Ofc, LR-Foc en LR-Cof van dezelfde doelen.
- LR-_GF2 — Er worden maar twee woorden gezegd: "rechthoekige lego". De keuzes: twee verschillende voorwerpen, twee verschillende vormen, allemaal dezelfde kleur — twee factoren (F2), geprompt.
- LR-_F2 — We zeggen "rode rechthoekige lego" met dezelfde keuzes als in 6: twee factoren.
- Q-_G — De vragen worden geprompt gesteld: als de vraag over de kleur gaat, staan er alleen kleuren bij de keuzes.
- Q-_D — De keuzes tonen alle dimensies (kleur, vorm, voorwerp): het kind kiest zelf het juiste antwoord.
- Q-_X — De vragen zonder prompts: één scherm, geen keuzes.
- Q-_XN — Dezelfde vragen over voorwerpen die het kind nog nooit in de serie heeft gezien.
De delen van voorwerpen
In Parties d'objets leren we de delen van enkele voorwerpen aan. Deze serie is gemaakt voor een kind dat moeite had om te begrijpen dat een deel van een voorwerp anders heet dan het hele voorwerp — hij zei "vliegtuig" wanneer de vleugel van het vliegtuig werd getoond. We hebben video's gemaakt voor de doelen: pedaal, toetsenbord, pit, (wc-)bril, veter, handvat, dak, vleugel, mouw, zeil, scherm. Eerst komen de W-, daarna de LR- en ten slotte de Q-. Zie ook wnlpartieitem.
Gekruiste vragen
In een heel grote serie leert het kind de vragen te beantwoorden: "wie is het?", "wat doet zij?", "waar is zij?", "waarmee [actie] zij haar [voorwerp]?". De vragen worden eerst geprompt zoals in de meiactions-series, maar niet alle stappen zitten erin.
Voorzetsels
In Prépositions leert het kind enkele voorzetsels. Voorlopig zijn dat: in, op, naast, voor, achter. Zie ook wnl préposition en Avec versus Sans.
WNL niveau 4
In wnlniv4 zitten W-oefeningen met voorzetsels, kenmerken, tegenstellingen, enz., en de zinnen zijn veel langer. Bovendien zijn er complexere soorten gesprekken die kinderen in de klas tegenkomen, bijvoorbeeld:
Juf: "Wie weet wat dit is?" — leerling A: "een cirkel!" — leerling B: "een hoepel!" — Juf: "B heeft gelijk, het is een hoepel."
Al deze structuren worden door elkaar gehaald, zodat het kind niet weet welk doel na het eerste scherm gevraagd zal worden.
De sequenties
- wnlsequencesbase — het kind moet kiezen welke video op de eerste video volgt. Voorbeeld: je ziet iemand die zijn hond in bad doet, daarna zie je de persoon die zijn hond afdroogt (juiste antwoord), die zijn hond eten geeft, die de riem omdoet, die zijn hond laat springen.
- wnlsequencebonnereaction — voorbeeld: iemand speelt kaarten en gaat dan naar het toilet; ondertussen haalt iemand anders zijn stoel weg. Bij terugkomst 4 verschillende reacties: een driftbui krijgen, op de grond gaan zitten, vragen "waar is mijn stoel?", voorstellen om te gaan voetballen.
- wnlsequencesson — voorbeeld: je hoort de deurbel, daarna zie je iemand die begint te lezen, iemand die de magnetron opent, iemand die de wc doortrekt en iemand die de deur opent (de juiste keuze).
Tellen
- dénombrement A — cijfers en hoeveelheden van 1 tot 5 aan elkaar koppelen
- dénombrement B — cijfers en hoeveelheden van 6 tot 10 aan elkaar koppelen