Niveau 5 — definities & theory of mind
NB: de meeste oefeningen bestaan alleen in het Engels en moeten nog in het Frans worden gebouwd!
Om kinderen nieuwe woorden te leren door naar de definitie te luisteren, hebben we oefeningen gemaakt:
- definitionimage — het kind hoort een definitie, wijst daarna de juiste afbeelding aan en benoemt vervolgens de afbeelding. Er is ook een LR- en een Q- voor elk doel.
- definitionvidéo — hetzelfde, met video's.
- definitionraconte — het kind hoort een definitie, daarna geven 4 personen elk een definitie (met valkuilen; de persoon die de juiste definitie geeft, gebruikt andere woorden dan de definitie van het begin — het kind moet zich op de globale betekenis concentreren). Het moet lang luisteren en de persoon kiezen die de juiste definitie geeft. Slechts twee schermen.
- definitionmotsressemblent — kop / hoop / vlek (tasse / tas / tache).
- definitioncategorie — kind / tiener / gepensioneerde.
Theory of mind
- quisait — het kind ziet een gesprek tussen twee personen. Daarna vragen we "wie weet waar x is?" en kiest het kind de juiste afbeelding. De persoon die het weet, kan het weten omdat het hem verteld is, of omdat hij het gezien (of gehoord) heeft.
- quiment — het kind ziet een video waarin iets gebeurt. Daarna vragen we "wie liegt er?" of "wie spreekt de waarheid?".
- quiaraisontort — voorbeeld: A vraagt aan B of ze haar computer mag gebruiken, B zegt ja en vertrekt; A gebruikt de computer; C komt binnen en zegt "je mag haar computer niet gebruiken", A zegt "jawel". Daarna vragen we: wie heeft er gelijk?
- quidit — je ziet kinderen die samen spelen in sociale situaties, het geluid is weggehaald. Het kind moet kiezen wat het kind in de scène waarschijnlijk zegt.
- theoriedelesprit — je ziet een scène, daarna verlaat een persoon de scène. We vragen: "wat gebeurt er daarna?". Je ziet de persoon terugkomen en het kind moet de juiste reactie van de persoon kiezen, rekening houdend met het feit dat die niet alle informatie heeft (hij heeft niet gezien of gehoord wat er is gebeurd).
- identifierlesemotions — je ziet een scène die bij iemand een emotie oproept. Zijn gezicht is wazig en het kind moet de juiste gezichtsuitdrukking kiezen bij wat er is gebeurd.
- comprehensiondifficile — voor woorden of zinsdelen die moeilijk uit te leggen zijn, of om te testen of het kind uitdrukkingen begrijpt: er wordt een kort verhaal verteld, waarna het kind de video moet aanwijzen die erbij past.