InhoudNiveau 3 — vragen beantwoorden

Niveau 3 — leren antwoorden op wie-, wat- en waar-vragen

In niveau 3 beginnen we het kind te leren om verschillende vragen te beantwoorden: wat? wie? waar? wat doet hij?

Wanneer je in niveau 3 werkt, blijf je altijd aan observatie werken met de serie Observation 3. In deze serie zitten veel meer oefeningen waarbij het kind niet-identiek moet matchen. Dat wil zeggen: het kind ziet persoon A touwtjespringen met de armen in de lucht, en moet daarna kiezen tussen persoon B die touwtjespringt met de armen in de lucht, persoon C die al springend ronddraait, en persoon D die ook touwtjespringt maar tegelijk in de handen klapt. Dit type oefening is een ANI-_X (niet-identiek matchen). Het is nog moeilijker dan de oefening van niveau 2 waarbij je in het eerste scherm persoon A de actie ziet uitvoeren en daarna, bij de keuzes, persoon B alle andere acties ziet uitvoeren (een ANI-_G).

Bovendien duren de video's langer en zijn ze moeilijker. De video's waarin mensen op een bepaalde manier hinkelen (rechtervoet, linkervoet, twee voeten, enz.) zijn bijvoorbeeld moeilijk voor de meeste kinderen. We hebben spelacties gefilmd (hinkelen, in de handen klappen, basketballen) om kinderen te helpen de spelletjes van andere kinderen tijdens de pauze te observeren. Er zijn ook video's waarin iemand begroet wordt, zodat het kind kan observeren hoe je een ander begroet (dat kan verschillen afhankelijk van de relatie of de plek waar je bent).

Het kind voorbereiden op het beantwoorden van vragen 1: auditief matchen

Voordat we beginnen met het aanleren van het beantwoorden van verschillende vragen, herhalen we het auditief matchen, waarbij het kind de zinnen moet matchen: "wat is het?" versus "wat doet hij?", "wie is het?" versus "wat is het?", "wat doet zij?" versus "wat doet hij?", "waar is het?" versus "wat is het?", "waar is het?" versus "wie is het?".

Het kind voorbereiden op het beantwoorden van vragen 2: de W-oefeningen

Om het kind te leren wat de vragen betekenen, hebben we afbeeldingen/video's gemaakt die de verschillende vragen in beeld brengen. Zo kan het kind ook W-oefeningen doen waarbij het aan het einde (derde scherm) de vraag moet reproduceren die in de zin werd gebruikt.

  • Voor "wat?": je ziet een voorwerp op tafel, maar het voorwerp is wazig.
  • Voor "wie?": je ziet een persoon, maar het gezicht van de persoon is wazig.
  • Voor "waar?": je ziet een woonkamer, maar meerdere plekken zijn wazig (op de tafel, in de kast, enz.).

Zie Préparation questions Qui - Quoi - Où. In de W-oefeningen zijn er (minstens) twee personen: de een vraagt aan de ander "wat is het?", en de ander benoemt het voorwerp. Vervolgens moet het kind kiezen tussen de afbeelding van wat?, wie? of waar?, en het daarna benoemen en dus zeggen: "wat is het?" — net zoals bij het benoemen van een actie, benoemt het hier de vraag die in de video werd gesteld (dat is een W-Qpao).

Voor de vraag "waar" doen we hetzelfde, alleen zijn de zinnen langer. Het is de moeilijkste vraag voor kinderen — daarom beginnen we met "wie" en "wat" vóór "waar".

De vragen onderscheiden

In QQ c'est ? QQ fait ? A leert het kind het verschil te maken tussen de vragen "wat is het?" en "wat doet hij?".

We leren de namen aan met de serie Personnes, en daarna doen we de serie Enseignement questions Qui - Quoi - Où om het kind te leren de vragen correct te beantwoorden. Het kind wordt geprompt door de keuzes die na de vraag worden gegeven. Bijvoorbeeld: in het eerste scherm zie je een persoon die een voorwerp vasthoudt en wordt de vraag "wie is het?" gesteld. In het tweede scherm staan er alleen personen bij de keuzes — het antwoord is uiteraard de naam van de persoon die het voorwerp vasthield. Het kind kan zich niet vergissen, want het kan alleen een persoon kiezen. Het raakt die persoon aan van wie het de voornaam heeft gehoord, en in het derde scherm ziet het die persoon opnieuw en moet het hem of haar correct benoemen om de ster te verdienen. Wanneer de vraag "wat is het?" wordt gesteld, staan er alleen voorwerpen bij de keuzes. Zo leert het kind dat "wie is het?" naar de naam van de persoon vraagt en "wat is het?" naar de naam van het voorwerp.

Acties aanleren in niveau 3 — de meiactions-series

We wilden een serie maken waarin het kind leert het verschil te maken tussen de persoon / de actie / de plaats wanneer het een actie ziet. Volgens ons is het noodzakelijk om deze dingen te kunnen onderscheiden voordat je correct kunt antwoorden op vragen als "wie is het?", "wat doet hij?" en "waar is hij?" over een persoon die op een bepaalde plaats een actie uitvoert!

Daarvoor zitten in elke serie de volgende stappen:

AI- — Het matchen van alle elementen van de scène: de persoon, de actie, de plaats. Het verschil met wat eerder werd aangeboden, is dat het kind een scène matcht, en dat in de scène alleen de persoon, alleen de actie of alleen de plaats verandert! We dwingen het kind dus om alleen naar die stimulus te kijken. In het eerste scherm hoort het kind ook één woord (de naam van de persoon, de actie of de plaats); zo kan het de naam voor dat element leren, maar het hoeft die aan het einde niet te benoemen (slechts twee schermen).

W-_D — Je ziet de scène (bijvoorbeeld een kind dat op de trampoline springt) en hoort één woord. Daarna staan bij de keuzes de plaats, de persoon en de actie: het kind moet het genoemde element kiezen.

W-_X — Je ziet de scène en de hele zin wordt uitgesproken ("de jongen springt op de trampoline"), waarna het kind moet kiezen tussen de 4 personen, de 4 acties of de 4 plaatsen van de serie, en aan het einde één element moet benoemen.

LR-_F1 — Je hoort "de jongen springt op de trampoline". Afhankelijk van de oefening verandert bij de keuzes alleen de persoon (LR-Pal), alleen de actie (LR-Apl) of alleen de plaats (LR-Lpa). Het kind hoeft maar op één element of factor (F1) te letten; het ziet de keuzes snel na de zin en weet dan waarop het moet letten.

LR-_F2 — Zelfde principe, maar er veranderen twee elementen (bijv. persoon + actie: jongen/meisje × springen/rennen). Het kind moet op twee factoren letten om het juiste antwoord te vinden. Over het algemeen geldt: hoe vroeger het element in de zin staat, hoe moeilijker het is: een LR-L is veel makkelijker dan een LR-A, en een LR-P is nog moeilijker dan een LR-A. Kinderen die geen 3 woorden kunnen onthouden (niveau 2) zullen op deze oefening vastlopen.

LR-_D — Het kind ziet een scène maar hoort slechts één woord. Bij de keuzes is alleen het genoemde doelwoord identiek, al het andere is veranderd. Bijvoorbeeld: de jongen springt op de trampoline, er wordt "springen" gezegd, en de keuzes zijn: de jongen die in de keuken rent, het meisje dat in de zandbak springt, de meneer die op de trampoline kruipt, de mevrouw die in de tuin loopt. Heel moeilijk — het kind moet alleen "springen" terugvinden, en dat is precies de bedoeling.

Q-_G — Je ziet een scène en de vraag wordt gesteld ("wat doet hij?"), waarna je de 4 acties bij de keuzes ziet: het kind wordt geprompt om foutloos het juiste antwoord te geven. Zodra het geleerd heeft correct te antwoorden, zal het kunnen antwoorden VOORDAT de keuzes worden aangeboden — als dat gebeurt, bekrachtigen we dat gedrag meteen (2 tokens in plaats van één) en gaan we verder met de Q-_X (of Q-_D).

Q-_D — De vraag wordt over de scène gesteld, maar de keuzes tonen de 3 elementen (de jongen, "springen", de trampoline). Een tussenstap tussen Q-_G en Q-_X, die je kunt overslaan als het kind die niet nodig heeft.

Q-_X — De vraag wordt over de scène gesteld, zonder tweede scherm: het kind moet meteen antwoorden.

IT- — Om ingewikkeldere vragen te stellen: in het eerste scherm is er alleen de vraag ("Wat doet de jongen op de trampoline?"), daarna kiest het kind uit gekruiste scènes, en in het derde scherm benoemt het de scène ("de jongen kruipt op de trampoline") of zegt het gewoon "kruipen" — ook goed!

Elke serie heet meiactions[nummer]:

SerieActies
Meiactions01lopen, rennen, springen, kruipen
Meiactions02gaan liggen, gaan zitten, vallen, opstaan
Meiactions03spugen, lachen, huilen, hoesten
Meiactions04slapen, gapen, vallen, wakker worden
Meiactions05fluisteren, praten/zeggen, roepen, zingen
Meiactions07pakken, snijden, pletten, eten
Meiactions08inschenken, omstoten, drinken, roeren
Meiactions09pakken, neerzetten, geven, laten zien
Meiactions10laten zien, openen, sluiten, pakken
wnlmeiactionsmix van de acties
Meiactions mots inconnusonbekende acties

De WNL's van niveau 3

Net als in niveau 2 zijn er W-oefeningen waarbij het kind nieuwe namen van voorwerpen en acties leert in alledaagse gesprekken: